De Kolenwasserij in Beringen: het dossier in het kort

CC-BY-NC-SA_2.0_ArcheonetVlaanderen

Beringen - De Kolenwasserij - Het dossier


Sinds kort prijkt er een Vlaamse erfgoedsite op de shortlist van “7 most endangered sites” in Europa. De zogenaamde kolenwasserij uit Beringen is de enige vertegenwoordiger uit België op deze lijst. Voor of tegen de sloop? Ga je mee in het verzet door bv de petitie tegen de sloop te tekenen of volg je de ontwikkelingsgedachte uit het algemeen masterplan? We geven je graag enkele overwegingen mee, zodat je zelf in eer en geweten een beslissing kan maken.


De Beringse mijn

In Beringen bleven, in tegenstelling tot de andere zes koolsteenmijnen op het Vlaamse grondgebied, de meeste mijngebouwen bewaard. Dat is geen toeval: toen men in de jaren 1980 de meest waardevolle mijnmonumenten in het Limburgse mijnbekken selecteerde, was het al snel de bedoeling één mijnzetel zo volledig mogelijk te behouden om daar de functie en werking van zo’n volledige mijn te kunnen duiden en beleefbaar te maken. De keuze van de K.S.-directie viel op Beringen, waar sinds 1986 een amateur-mijnmuseum was gevestigd.


Op 28 oktober 1989 sloot de Beringse mijn haar poorten. De site is nu de grootste industrieel-erfgoedsite in Vlaanderen en is als bewaarde mijnsite ook uniek in Europa. Onder de noemer ‘be-MINE’ wordt ze sinds 2009 herbestemd als een toeristisch-recreatief project. Stedelijke functies – wonen, werken, winkelen – worden er met elkaar vervlochten. Het bijbehorende masterplan voorziet ook in een (mijn)belevingscomponent in en rond de beschermde gebouwen. Nu al is er het vernieuwde Mijnmuseum.
 

De kolenwasserij

 

In 1993 en 1994 werden de kerngebouwen van de Beringse mijnsite beschermd als monument. Voor de beeldbepalende, imposante koolwasserij en haar uitrusting – eigenlijk gaat het om vier opeenvolgende kolenwasserijen die de groei van de mijn illustreren en de technologische evolutie mee volgden – dateert de bescherming van december 1994.


De Beringse kolenwasserij is de enige in haar soort in Limburg die de sluitingen heeft overleefd. Ook op Europese schaal zijn kolenwasserijen een zeldzaamheid. Het complex, waarvan het oudste onderdeel in 1923 werd gebouwd, geeft een idee van de (maximale) productiecapaciteit van een Limburgse mijn. In koolwasserijen werden kolen en stenen gescheiden. Ze worden voortdurend opnieuw aangepast aan de productiecapaciteit, de productiemethoden en de wensen van de klanten.


Bouwkundig gesproken is de kolenwasserij monolithisch opgetrokken in metaalvakwerk, met afwisselend twee traveeën in glaswerk en één travee in baksteenmetselwerk. De tien bouwlagen en technische verdiepingen zijn gebouwd op een open staketsel boven de sporen. Kolenwagons werden er rechtstreeks geladen en gelost.


Er werd in 2017 een sloopvergunning aangevraagd voor kolenwasserij 1. De gemeenteraad van Beringen kende die niet toe, op grond van de beschermde status en de erfgoedwaarde van het gebouw. Be-MINE diende beroep in bij de bestendige deputatie van de provincie Limburg. Die besliste op 1 maart om de sloop toe te staan. Er kan echter niet gesloopt worden zolang de bescherming als monument niet (deels) is opgeheven. De bal ligt dus in het kamp van de Vlaamse Overheid. Ook voor kolenwasserij 3 zijn er plannen om de declassering aan te vragen.



Argumenten tegen de sloop van kolenwasserij 1 en 3

  1. Voor een eventuele gedeeltelijke sloop moet de bescherming (gedeeltelijk) worden opgeheven of aangepast. Daar is een decretaal vastgelegde procedure voor, met onder meer een openbaar onderzoek en een advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Die is vooralsnog niet gevolgd. (De opheffing van de bescherming is een beslissing van de minister bevoegd voor Onroerend Erfgoed. Op een eerder verzoek om drie delen te declasseren ging de minister in 2013 niet in.)
     
  2. Door een gedeeltelijke sloop gaat het monumentale karakter van het geheel verloren, en ook de inzichtelijkheid in het massieve van het kolenwasproces, een essentieel onderdeel van het mijnwerk. Dat betekent een onherroepelijke verminking van de integriteit van het geheel en een aantasting van de kern ervan.
     
  3. De sloop van een (groot) deel van het gebouw kan een precedent scheppen voor de verdere aantasting van de site én voor de sloop van andere beschermde gebouwen in Vlaanderen.
     
  4. Een eventuele gedeeltelijke sloop was voor de erfgoedvereniging Europa Nostra de reden om de Beringse kolenwasserij op de tweejaarlijkse lijst te zetten van ‘meest bedreigd Europese historische sites’. Dat is een indicatie van het (Europese) belang van de site. (De shortlist telt zeven sites. De kandidaatstelling van Beringen is het werk van VVIA [Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie].)


Argumenten voor de sloop van kolenwasserij 1 en 3

  1. Projectontwikkelaar N.V. be-MINE – een PPS-vennootschap met als partners de Limburgse Reconversie Maatschappij en de private partners DMI Vastgoed en Van Roey Vastgoed – werkt sinds 2009 aan de herbestemming van de voormalige mijnsite. Daarbij moeten er keuzes gemaakt worden. Dat heeft onder meer ook met de kostprijs te maken: het behoud van de volledige wasserij brengt hoge kosten met zich mee.
     
  2. Het behoud van twee onderdelen – qua oppervlakte het grootste gedeelte – en één kolenzifterij is een mooi compromis. Zo blijft het grootste deel behouden en valt een deel in te passen in het Mijnbelevingscentrum.
     
  3. De te slopen onderdelen (kolenwasserij 1 en 3) zijn erg bouwvallig (o.m. door roest). De twee andere worden daarentegen gerestaureerd: 2 wordt een onderdeel van het Mijnbelevingscentrum, 4 krijgt een andere herbestemming.
  4. In het globale restauratieplan was er al een akkoord met de betrokken partijen om kolenwasserij 1 te slopen wegens de slechte staat. Op het terrein is een parking gepland.


Al te vaak krijgt de erfgoedwereld met dit soort dossiers te maken. Beschermd houden of aanpassen en verder ontwikkelen. Beschermen mag natuurlijk niet gelijkstaan aan een stolp over het erfgoed plaatsen. Zuurstof en flexibiliteit blijven nodig. Dat dit vanuit een gedragen visie moet gebeuren, die het liefst vanuit de erfgoedgemeenschap komt, lijkt een evidentie. De vraag is of ‘bescherming’ het einddoel is of een louter middel om met erfgoed om te gaan. Misschien zijn er wel alternatieve scenario’s om het erfgoed eer aan te doen en verdere ontwikkeling mogelijk te maken.