Samenvatting keynotelezingen OMC2018

Korte voorstelling van de keynotesprekers op het Open Monumentencongres

Koen Van Balen is hoogleraar aan de KU Leuven, departement Burgerlijke Bouwkunde. Hij is ook directeur van het wereldwijd gereputeerde Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie (RLICC) en houder van de UNESCO-leerstoel over preventieve conservatie, monitoring en onderhoud. Hij is coauteur van de studie Cultural heritage counts for Europe uit 2015, dat aangeeft wat de betekenis van onroerend erfgoed is voor Europa (economisch, sociaal, cultureel, milieu). Lees hier de samenvatting van zijn lezing.

Guy Bovyn is als kunstwetenschapper verbonden aan het departement Erfgoedstudies van de Universiteit Antwerpen. Zijn onderzoek richt zich op de vertaling van de assemblagetheorie naar het veld van de erfgoedzorg: erfgoedzorgers produceren dagelijks kennis en kunnen via sociaal leren bijdragen aan een meer duurzame erfgoedzorg. Lees hier de samenvatting van deze lezing.

Andrew McIntyre is medeoprichter van Morris Hargreaves McIntyre Insight en een autoriteit in het Verenigd Koninkrijk inzake motivaties en publieksgedrag (visitor’s engagement). Zijn uitgangspunt is dat samenwerking een krachtig middel is om een breder publiek te bereiken en te betrekken bij erfgoedplekken: “It’s not about market share, it’s about a shared market.” Hier vind je de samenvatting van deze lezing.


1. Het onderzoek Cultural heritage counts for Europe: doelstellingen, bevindingen en aanbevelingen

Uitgangspunt van de lezing: cultureel erfgoed draagt bij aan de lokale ontwikkeling. Hoe weten we dat? Hoe pakken we dat aan? Welke ondersteunende actoren hebben we daarvoor nodig? Hebben we geen andere actoren nodig dan we nu hebben?

De studie Cultural heritage counts for Europe had drie doelstellingen:

  • Evidence based-gegevens verzamelen over de aantoonbare impact van cultureel erfgoed: economisch, sociaal, cultureel, omgeving. Het rapport onderzocht hoe er in beleidsdocumenten, wetenschappelijke publicaties… over cultureel erfgoed wordt gesproken in een context van duurzame ontwikkeling. Conclusie: ook cultureel erfgoed heeft een belangrijke impact op duurzame ontwikkeling (sustainable development, millennium goals), niet alleen het economische, het sociale en de omgeving. Een voorbeeld: hoeveel energie zit er niet in monumenten?
  • Beleidsaanbevelingen formuleren: hoe het potentieel van cultureel erfgoed beter benutten?
  • Aangeven welk onderzoek er nog nodig is


Belangrijk zal zijn dat bv. economische actoren (waar het meestal over gaat) die duurzaam willen werken aandacht hebben voor de mogelijkheden van cultureel erfgoed, het sociale en de omgeving. En ook omgekeerd: cultureel-erfgoedactoren moeten zich richten op het economische, het sociale, de omgeving… Dat vergt samenwerkingsverbanden waarin mensen systemisch en globaal denken.


De studie bracht tien bevindingen:

  1. Cultureel erfgoed speelt een sleutelrol in de aantrekkingskracht van Europa en zijn regio’s en draagt bij tot het competitieve voordeel van Europa. Bv. special meeting venues.
     
  2. Cultureel erfgoed geeft regio’s een identiteit/identiteiten, eigen verhalen en marketingtroeven.
     
  3. Cultureel erfgoed zorgt voor een variëteit aan jobs: conservatie, cultuurtoerisme, content…
     
  4. Cultureel erfgoed is een bron van creativiteit en innovatie, kennis, nieuwe ideeën en oplossingen voor lokale ontwikkelingen.
     
  5. Cultureel erfgoed heeft een track record van ‘bewezen diensten’ inzake investeringsrendement en belastinginkomsten.
     
  6. Cultureel erfgoed is een katalysator van duurzaamheid. Het gaat over regeneratie, wat ruimer is dan herbestemming. Over omgevingen moet je holistisch en interactief denken. Van curatief denken naar denken over systemen.
     
  7. Cultureel erfgoed draagt bij tot oplossingen voor bv. klimaatverandering. Zo hebben historische gebouwen een enorme energievoorraad.
     
  8. Cultureel erfgoed draagt bij tot de dagelijkse levenskwaliteit van mensen en het karakter van hun omgeving.
     
  9. Cultureel erfgoed kan duurzaam en vroeg worden geïntegreerd in het onderwijs, en draagt bij tot de motivatie van leerlingen. Cultureel erfgoed voorziet in essentiële stimuli voor opvoeding en levenslang leren, doet de geschiedenis beter begrijpen, zorgt voor een beter imago en een gevoel van trots.
     
  10. Cultureel erfgoed helpt bij het opbouwen van sociaal kapitaal en bevordert de sociale cohesie (deelname, betrokkenheid, integratie).


Dat leidde tot vijf strategische aanbevelingen aan Europa:

  1. Help met het verzamelen van evidence based informatie.
     
  2. Meet de impact van cultureel erfgoed.
     
  3. Monitor trends in verband met cultureel erfgoed.
     
  4. Deel kennis, verspreid data en informatie.
     
  5. Maximaliseer de impact.

De vraag was: hoe meet je de impact van cultureel erfgoed wat vier pijlers betreft en in het licht van duurzaamheid: het economische, het sociale, het culturele en de omgeving/het milieu? Hoe kan cultureel erfgoed bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van de vier?


De studie leidde tot het idee van het zogenaamde stroomopwaartsperspectief, waardoor we de inbreng, de invloed en de duurzame impact van cultureel erfgoed in beeld brengen voor de vier pijlers. (En dus niet omgekeerd: wat kost cultureel erfgoed aan de samenleving? Wat is de impact van investeringen in erfgoed?)


Consequentie: hebben we als sector andere actoren nodig? Hebben we geen andere mensen nodig dan nu vaak het geval is? Bv. mensen die diverse middelenstromen kennen (economisch, sociaal, cultureel, omgeving…) en die daar cultureel erfgoed aan kunnen vastknopen. Makelaars, bemiddelaars, facilitatoren… We moeten meer verbindingen leren maken tussen cultureel erfgoed en de maatschappij. Nodig zijn economen, die andere vormen van economie kunnen ontwikkelen, antropologen, sociologen, juristen en politici (mensen die aan governance kunnen doen). En uiteraard ook architecten en erfgoedwerkers. Maar de discussies moeten in elk geval breed gevoerd worden.


Zo verruimen we de zin van en zorg voor cultureel erfgoed tot de hele samenleving. En wordt duidelijk dat samenwerking met heel andere sectoren zich opdringt.

Je kan het rapport Cultural Heritage Counts for Europe en de executive summary (36 pagina’s) gratis downloaden


2. Enkele basisstellingen uit het betoog voor een systematische benadering voor erfgoed

  1. Een duurzaam erfgoedbeleid voeren betekent dat je het erfgoed als een dynamisch systeem moet benaderen, met daarin veel interrelationeel verbonden componenten en dat als systeem in interactie staat met zijn omgeving en zich daaraan aanpast. Dit is dan ook een pleidooi voor een systemische en holistische benadering van cultureel erfgoed.
     
  2. De tijden zijn ook voor het erfgoed veranderd: er is druk op het conservatorische paradigma, op een begrip als authenticiteit. Het besef is ook gegroeid dat de erfgoedzorgers verhalen brengen met hiaten in: ze maken mee het erfgoedobject. Erfgoedzorg is een sociaal geconstrueerde activiteit met heel wat stakeholders. De context van een erfgoedzorgproject (geografisch, sociaal, cultureel, economisch, administratief…) moet evenveel aandacht krijgen als het object zelf.
     
  3. Er is ook de democratisering van de erfgoedpraktijk. Het aantal stemmen die gehoord worden is toegenomen. Ook het begrip erfgoed is veranderd, met bv. meer aandacht voor lokale waarden.
     
  4. Ook de wereld zelf is aan grote veranderingen onderhevig, met een directe en grote impact op het erfgoedsysteem: globalisering, klimaatverandering, massamigratie, de multiculturele samenleving.
     
  5. Het nieuwe hedendaagse erfgoedparadigma moet uitgaan van de complexiteit van erfgoed. Erfgoed verdraagt in de praktijk geen (natuur)wetenschappelijke veralgemeningen en oplossingen (voorspelbaarheid) en is in die zin een wicked problem (complex, divers). Het zorgt voor verrassingen en vormen van onvoorspelbaarheid. De waarden van cultureel erfgoed spreken elkaar soms tegen, evolueren, overlappen elkaar, zijn contingent… Erfgoed is dus complex, zowel materiaal-technisch als qua betekenissen en waardering.
     
  6. Hoe vind je een benadering die rekening houdt met die onvoorspelbaarheid, de verrassingen, de onvolledige kennis waarover we beschikken, de ontwikkelingen binnen het systeem? Voorstel: erfgoed moeten we leren benaderen als een organisch ecosysteem: een levend geheel, dynamisch, met diverse niveaus die op elkaar inwerken (en dus niet beperkt tot één niveau), niet-lineair, waarin soorten kunnen verdwijnen, zich aanpassen, evolueren... In elk geval: elk erfgoedobject behoort tot een dynamisch, open, zich aanpassend systeem dat ook nog eens in interactie staat met zijn brede omgeving.
     
  7. Componenten/actoren die op elkaar inwerken en samen het systeem construeren, op de verschillende niveaus, van UNESCO en werelderfgoed tot en met het lokale niveau:
  • Erfgoedobjecten
     
  • Erfgoedgebruikers
     
  • Erfgoedwerkers (professionals)
     
  • Erfgoedgemeenschappen
     
  • Wetgeving en instellingen
     
  • Deontologie
     
  1. Wat is het voordeel van denken en werken over erfgoed in termen van ecosystemen? Dat je meer bedacht bent op onvoorspelbaarheid, non-lineariteit, onzekerheid. Men gaat ook meer in op het werken met de diverse niveaus, vindt leren erg belangrijk, is ingesteld op het snel detecteren van bijsturing… Vandaar het pleidooi voor het werken met hypothesen, de implementatie daarvan in het veld/experiment en het monitoren van het resultaat: zo kun je het beleid bijsturen. Daar hebben mensen die zich bezighouden met (de studie van) ecosystemen al heel wat ervaring mee, de erfgoedsector veel minder (met de voorspelbare uitzondering van het beheer van landschappen).
     
  2. Dit is meteen ook een pleidooi voor een adaptief en participatief comanagement van erfgoed, waarin we leren door te doen (op een wetenschappelijk, methodologisch verantwoorde manier; procesmatig) en – nog eens herhalen – door aandacht te hebben voor het unieke en het onvoorspelbare in het grotere, op elkaar inwerkende geheel met zijn diverse niveaus.
     
  3. Participatie: zie ook de participatieladder met de verschillende gradaties van participatie. Participatorische leerplatforms zijn nuttig om de interactie te realiseren. Daar is een grens- of brugorganisatie voor nodig, die de brug slaat tussen de diverse niveaus, en ook horizontaal.
     
  4. Comanagement: betekent ook dat in dialoog/onderhandeling/bemiddeling wordt gegaan met meerdere belanghebbenden en zo een samenwerking gevormd wordt die de kans op een duurzaam beleid verhoogt. Belangrijk daarbij is dat de verschillende kennissystemen van diverse stakeholders (experts, bevolking…) als evenwaardig worden beschouwd. Het gaat hier ook om het managen van relaties tussen mensen (de sociale factor). Dat leidt tot een meer inclusieve besluitvorming. Kortom, een grotere rol van alle stakeholders stimuleert de democratisering van de besluitvorming en de participatie. (Het makkelijkste niveau is het lokale, maar het systeem kan op alle niveaus gerealiseerd worden.)

Dit nieuwe denken zal van de erfgoedsector een verandering van attitude vergen: open communicatie, vertrouwen geven om het te krijgen, bereidheid tot kennisdeling en cocreatie… Dat zijn basisvoorwaarden om het nieuwe paradigma waar te maken.


3. It's not about market share, it's about a shared market: praktijkvoorbeelden

Basisstellingen van het betoog:

  • Samenwerking (sharing) gaat zowel over programmeren (hoe een nieuw publiek bereiken?), marketing (hoe een publiek delen?) en research, die altijd duur is (onderzoek naar wat het publiek wil en wat zijn behoeften zijn).
     
  • Wees als erfgoedsector bereid te leren, bv. van de podiumkunsten en andere kunstinstellingen.
     
  • Werk als erfgoedorganisaties samen, waardoor je een breder publiek creëert en een grotere betrokkenheid bij dat publiek.
     
  • Beschouw de markt als een gedeeld veld en zie elkaar niet als concurrenten. Je kunt elkaar als veelal kleine organisaties versterken door samen te werken.
     
  • De belangrijkste oorzaak waarom mensen erfgoedsites niet bezoeken is nog altijd simpelweg dat ze sites niet kennen en niet op de hoogte zijn van het aanbod. Daar kunnen we samen iets aan doen, in de eerste plaats door af te stappen van het concurrentiedenken.
     
  • Maak de denkoefening: stel dat jij publiek bent en probeer uit hoeveel moeite mensen doen om alle individuele sites en alle bijbehorende informatie die hen kunnen interesseren op te sporen.

In de praktijk:

  • Een kunstwerk met tienduizenden poppy’s (WO I) werd tentoongesteld op diverse erfgoedsites. Dit leverde een nieuw publiek op dat anders veel van de sites nooit zou bezoeken wegens niet betrokken. Met in dat nieuwe publiek opvallend veel jongeren, etnisch diverse mensen en niet-traditionele bezoekers die voor mond-aan-mondreclame zorgden. De les: een partnerschap van erfgoedsites met kunstinstellingen/kunstenaars kan een nieuw publiek opleveren, en dat kan een sneeuwbaleffect hebben.
     
  • The Insider: als organisaties hebben we allemaal databanken van ons publiek en dekken we waarschijnlijk samen een groot deel van de bevolking. Waarom niet die databanken gemeenschappelijk maken tot één grote databank en die vervolgens slim gebruiken? Waarom niet de cake groter maken? Dankzij een soort van data commonwealth. Dat biedt ook meer mogelijkheden om drijfveren van mensen te achterhalen, het publiek te segmenteren en zo je marketing beter te richten (ook dankzij nieuwe technologische mogelijkheden, uiteraard altijd met informed consent van de gebruikers). De les: gebruik elkaars intelligentie en gegevens. Share the audience. Dat is in ieders voordeel als het goed gebeurt.
     
  • Audience Atlas: hoe doe ik het als erfgoedsite in vergelijking met collega’s? Wat is mijn (potentiële) markt en wie bereik ik (niet)? Welk publiek deel ik met collega’s? Wat is er nog mogelijk qua publieksbereik? Een comprehensive shared population survey  biedt een antwoord op deze vragen en maakt dus een relatieve beoordeling van de eigen site op het vlak van publieksbereik mogelijk. Het biedt ook een benchmark om te weten wat er eventueel aan de hand is (bv. bij een plotselinge daling van de bezoekcijfers), samen te werken en iets te ondernemen waar het beter kan.