Kinderboek van historica Eva Vaes wekt Gallo-Romeinen weer tot leven

Slakken en Potscherven van schrijfster-illustratrice Eva Vaes is een spannend kinderboek voor jongeren vanaf 9 jaar. Het verhaal focust op het leven van Marcus, een jonge Gallo-Romein die zo’n 1.800 jaar geleden leefde en samen met zijn vader op reis gaat naar Tongeren. De reis brengt Marcus langs de Romeinse wegen en dorpen van onze regio: Kortrijk, Velzeke, Asse en Grobbendonk. Via een boeiend verhaal en mooie prenten leren de lezers bij over de Romeinse periode in onze streken.


Hoe ontstond het idee voor Slakken en Potscherven?

Het was de archeologische werkgroep Mercurius uit Grobbendonk die me opbelde. Ellen Van de Velde, Fons Suys en Greet Willems kenden me van mijn eerste boek Mammoetmoed en waren grote fan. Ze vroegen me of ik een boek wou schrijven over hun gemeente in de Romeinse periode. Met veel enthousiasme vertelden ze over de spectaculaire vondst van een Mercuriusbeeldje en over het boek Marcus, de pottenkoopman van Georges De Maeyer. Ik las het boek van Georges op een koude winteravond en zijn hoofdpersonage Marcus kreeg in mijn fantasie een nieuw leven.


In welke tijd speelt het verhaal zich af?

Rond het jaar 180 na Christus. Op dat moment was Commodus keizer van het Romeinse Rijk dat zich uitstrekte tot aan de Rijn. In onze streken leefden de mensen naar het grote voorbeeld van Rome: ze kozen hippe Romeinse namen voor hun kinderen, aanbaden Romeinse goden, dronken wijn en volgden de Romeinse mode.


Je legt de nadruk op de historische correctheid van je verhaal. Is het de bedoeling dat je lezers iets bijleren uit jouw boeken?

Het klopt dat ik zowel voor Mammoetmoed als voor Slakken en Potscherven nauw samenwerkte met historici en archeologen om de historische context zo correct mogelijk weer te geven. Wellicht is deze drang te danken aan mijn opleiding geschiedenis. Toch zijn mijn boeken fictie, het blijven leuke verhalen over verzonnen personages. De ontspanning van het lezen staat echt wel op de eerste plaats. Dat er in je achterhoofd een sfeerbeeld van het verleden blijft hangen, is aardig meegenomen. Onbewust leren de lezers dus toch veel bij.


Wie hielp er verder nog mee?

Het boek van Georges De Maeyer zette alles in gang en de archeologen uit Grobbendonk stonden meteen klaar om extra informatie te geven. Het werd al snel duidelijk dat het avontuur van Marcus een reisverhaal zou worden. Met kaarten van Romeinse heirbanen zocht ik uit hoe Marcus en zijn vader een boeiende reis konden maken, van waar ze zouden vertrekken, welke dorpen ze zouden bezoeken en welk einddoel hun reis had.


Deze plaatsen werden steeds belangrijker in mijn onderzoek. Ik trok naar Asse en kreeg er een interessante rondleiding van Kristine Magerman van de archeologische vereniging Agilas. Vanuit het noorden van Frankrijk kwam er een helpende hand van archeologe Sonja Willems die me meer kon vertellen over Cassel en over de kunst van het pottenbakken. Het Gallo-Romeins Museum in Tongeren en haar collectie was op zich al een grote hulp en inspiratiebron. Maar ook Bart Demarsin van het museum bood zijn hulp aan. Veel gespecialiseerde archeologen hielpen me met de zoektocht naar eten en drinken. En dan waren er nog een hoop andere mensen die me hielpen met kleine vraagjes en lange verbetersessies.